Wat u over ESRS E1 moet weten
01
Waar ESRS E1 over gaat
ESRS E1 richt zich op het 1,5-°C-doel van het Akkoord van Parijs en op de Europese klimaatwet, die klimaatneutraliteit tegen 2050 en als tussentijds doel 90 % minder netto-emissies tegen 2040 ten opzichte van 1990 vastlegt. Hij vult ESRS 2 aan: strategie, governance en het materialiteitsproces staan daar, de klimaatspecifieke informatie hier. Gebruikers van het duurzaamheidsverslag zouden daaraan moeten kunnen zien waar de onderneming staat ten opzichte van het 1,5-°C-doel en hoe zij het wil bereiken: met meetgegevens over energieverbruik en emissies, reductiedoelen, het transitieplan en de acties om emissies te verminderen, en met de klimaatgerelateerde risico’s en de veerkracht van de strategie.
02
De 11 rapportage-eisen in het kort
De rapportage-eisen beantwoorden drie vragen: Hoe is de strategie van de onderneming afgestemd op klimaatverandering (E1-1 tot en met E1-3)? Hoe stuurt zij mitigatie en adaptatie (E1-4 en E1-5)? En waaraan zijn voortgang en financiële gevolgen te meten (E1-6 tot en met E1-11)?
- E1-1 Transitieplan: hoe de onderneming strategie en bedrijfsmodel in lijn wil brengen met het 1,5-°C-doel: met welke doelen, hefbomen, acties en investeringen, wie het plan heeft goedgekeurd, op welke aannames het berust, welke bestaande activa en producten het in gevaar kunnen brengen en hoe ver de uitvoering is. Ontbreken de kernelementen zoals doelen, hefbomen, acties, investeringen en goedkeuring, dan geldt het plan als niet aanwezig. Is er geen plan, dan moet de onderneming dat vermelden en aangeven of en, zo ja, wanneer zij verwacht er een vast te stellen
- E1-2 Identificatie van klimaatrisico’s: hoe de onderneming klimaatgerelateerde risico’s identificeert en beoordeelt en of het om fysieke risico’s of transitierisico’s gaat. Een scenarioanalyse is daarvoor niet verplicht; wordt ze gebruikt, dan moet ze worden beschreven
- E1-3 Klimaatveerkracht: hoe goed strategie en bedrijfsmodel zijn voorbereid op de geïdentificeerde risico’s, hoe de onderneming daarop kan reageren en waar de beoordeling onzeker is
- E1-4 Beleid: het beleid inzake klimaatmitigatie en -adaptatie, bijvoorbeeld voor energie, inkoop of wagenpark. Het laat zien hoe de onderneming het onderwerp stuurt, ook als er nog geen volledig transitieplan is. Is er een, dan verwijst het plan naar het beleid
- E1-5 Acties en middelen: welke acties de onderneming uitvoert en plant, welke middelen daarvoor zijn voorzien en hoeveel emissiereductie elke decarbonisatiehefboom oplevert
- E1-6 Klimaatdoelen: welke reductiedoelen de onderneming zich heeft gesteld en of ze wetenschappelijk onderbouwd en verenigbaar met 1,5 °C zijn
- E1-7 Energieverbruik en energiemix: hoeveel energie de onderneming verbruikt en hoeveel daarvan uit fossiele, nucleaire en hernieuwbare bronnen komt. Wie zelf energie opwekt, laat ook zien hoeveel daarvan hernieuwbaar is
- E1-8 Broeikasgasemissies: de broeikasgasinventaris met scope 1, 2 en 3, de kern van de standaard
- E1-9 Verwijderingen en CO2-credits: of de onderneming broeikasgassen uit de atmosfeer verwijdert, zelf of in de waardeketen, of klimaatprojecten via CO2-credits financiert, en hoe zij de kwaliteit daarvan waarborgt
- E1-10 Interne CO2-beprijzing: of en hoe een interne CO2-prijs beslissingen beïnvloedt, bijvoorbeeld bij investeringen, en op welk niveau
- E1-11 Financiële effecten: welke activa en omzet blootstaan aan klimaatgerelateerde risico’s, welke verplichtingen dreigen en welke kansen ontstaan, telkens zo mogelijk in geld uitgedrukt
03
Broeikasgasinventaris: wat volgens de ESRS anders is dan volgens het GHG Protocol
De broeikasgasinventaris volgens E1-8 bouwt voort op het GHG Protocol. Waar beide van elkaar afwijken, gaan de ESRS voor. De belangrijkste verschillen:
- Rapportagegrens: de ESRS sluiten aan bij de geconsolideerde jaarrekening en noemen financiële zeggenschap als standaard; de aandelenbenadering of de operationele-controlebenadering is als alternatief toegestaan. Belangrijk: de controlebenadering bepaalt waar emissies worden opgenomen, niet of. Wat niet onder scope 1 en 2 valt, hoort bij de screening van de scope 3-categorieën, bijvoorbeeld categorie 15 Investeringen. Let op bij deelnemingen en joint ventures: volgens de ESRS worden investeringen, ook in geassocieerde deelnemingen en joint ventures, behandeld als zakelijke relaties. Voor joint ventures met gezamenlijke financiële zeggenschap is de toewijzing echter niet eenduidig; die hangt af van de openbaar gemaakte benadering. Hier kunnen beide standaarden van elkaar afwijken. Het aandeel in gezamenlijke activiteiten (joint operations) telt daarentegen als eigen activiteit. Emissies uit geleasede activa rapporteert de lessee in zijn eigen activiteiten, de lessor in zijn downstream waardeketen
- Aanvullende informatie: het aandeel van de scope 1-emissies uit het EU-emissiehandelssysteem (EU ETS), de uitsplitsing van scope 1 en 2 in de geconsolideerde groep en overige emissies en, waar relevant, cloud en datacenters als deelverzameling van scope 3-categorie 1
- Vereist door het GHG Protocol, niet genoemd in de ESRS: vanaf 2027 vereist het GHG Protocol de Land Sector and Removals Standard (LSRS) van ondernemingen die conform het GHG Protocol rapporteren en significante activiteiten in de landsector hebben of CO2-verwijderingen rapporteren. De ESRS verwijzen niet naar de LSRS
- Open: de ESRS verwijzen naar bepaalde edities van het GHG Protocol (Corporate Standard 2004, Scope 3 Standard 2011, Scope 2 Guidance 2015). Het GHG Protocol herziet zijn standaarden momenteel, bijvoorbeeld voor scope 2. Hoe de ESRS daarop reageren, is nog open
04
Doelen, credits en verwijderingen
De ESRS maken een duidelijk onderscheid tussen reductie en compensatie:
- Reductiedoelen zijn bruto doelen: verwijderingen, CO2-credits en vermeden emissies tellen niet mee. Ze worden berekend met dezelfde rapportagegrens als de broeikasgasinventaris en ook in absolute waarden vermeld, zelfs als er alleen een intensiteitsdoel is. Dekt een doel maar een deel af, dan moet het gedekte aandeel per scope worden vermeld
- Verwijderingen en credits worden apart gerapporteerd: verwijderingsprojecten in de eigen activiteiten en in de waardeketen met hoeveelheid en permanentie, gekochte credits met hoeveelheid, aandeel uit verwijderingsprojecten en kwaliteit
- Net-zerodoelen en neutraliteitsclaims: bij een eigen net-zerodoel moet de onderneming uitleggen hoe restemissies blijvend worden geneutraliseerd. Wie publiekelijk broeikasgasneutraliteit claimt met CO2-credits, legt uit of en hoe die claim het halen van de reductiedoelen niet belemmert, en onderbouwt de geloofwaardigheid van de credits met erkende kwaliteitsnormen
05
Overgangsregels
Voor E1 geldt een eigen overgangsregel: voor de verwachte financiële effecten van klimaatgerelateerde risico’s en kansen. Voor boekjaar 2026 geldt bovendien een bijzondere regel: ondernemingen van de eerste golf die op de balansdatum ten minste een van de twee drempels niet overschrijden (450 miljoen EUR netto-omzet of gemiddeld 1.000 werknemers) mogen alle themastandaarden weglaten als zij de nieuwe set al toepassen. Zij moeten wel vermelden of klimaatverandering materieel is. Is ze materieel, dan moeten zij het onderwerp of de materiële subthema’s vermelden en kort beschrijven hoe hun bedrijfsmodel en strategie rekening houden met de effecten, evenals hun doelen en voortgang, beleid en acties, en moeten zij relevante meetgegevens vermelden. De eigen overgangsregel van E1 werkt zo; wie er gebruik van maakt, vermeldt dat:
- Eerste golf: informatie vanaf boekjaar 2028, kwantitatieve informatie vanaf 2030
- Andere ondernemingen: vrijstelling in de eerste 2 verslagjaren, voor kwantitatieve informatie in de eerste 4
Al in het eerste jaar te rapporteren zijn echter de boekwaarde van activa met materiële fysieke risico’s en transitierisico’s, de bandbreedte van mogelijk afgeboekte activa op basis van een 1,5-°C-scenario en het telkens door acties gedekte aandeel. Voor bedragen volstaat een bandbreedte. Van cijfers kan worden afgezien als de effecten niet afzonderlijk te bepalen zijn, de schatting te onzeker is om nuttig te zijn of, bij verwachte effecten, de vaardigheden, capaciteiten of middelen ontbreken. Dan moet de onderneming dat motiveren en de betrokken posten van de jaarrekening kwalitatief beschrijven.
06
Typische gegevensbronnen in de onderneming
De meeste gegevens bestaan al, maar op verschillende plekken:
- Bestaande broeikasgasinventarissen leveren de basis voor scope 1, 2 en 3 en voor basisjaar en doelen
- Energiebeheer, bijvoorbeeld volgens ISO 50001 of uit energieaudits, levert verbruik, energiemix en efficiëntiemaatregelen
- Milieubeheersystemen zoals ISO 14001 of EMAS leveren milieuaspecten, beleid, doelen en acties
- Risicobeheer levert klimaatgerelateerde risico’s en kansen, scenario’s en de basis voor de financiële effecten
07
Verband met de VS-standaard
De VS-standaard bevat al belangrijke klimaatgegevens: energieverbruik, scope 1- en locatiegebonden scope 2-emissies in de basismodule, en in de uitgebreide module vrijwillig scope 3 en reductiedoelen en klimaatrisico’s.
08
Typische fouten
Deze punten komen in de praktijk vaak voor:
- CO2-credits, verwijderingen of vermeden emissies aanrekenen op het reductiedoel. Garanties van oorsprong werken alleen op de marktgebonden scope 2-emissies; te vermelden is op welke scope 2-methode het doel is gebaseerd
- Deelnemingen en joint ventures dubbel of helemaal niet opnemen, bijvoorbeeld naar rato in scope 1 en 2 en nogmaals in categorie 15, of in geen van beide, omdat de toewijzing niet één openbaar gemaakte benadering volgt. Evenzo gezamenlijke activiteiten (joint operations) als deelnemingen behandelen
- Scope 3 in zijn geheel weglaten in plaats van alle categorieën te screenen en de significante te rapporteren
- Een transitieplan claimen zonder doelen, hefbomen of goedkeuring
- Doelen en inventaris met verschillende rapportagegrenzen berekenen