Wat u over ESRS E4 moet weten
01
Waar ESRS E4 over gaat
ESRS E4 is onder meer gebaseerd op het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat het verlies van biodiversiteit wil stoppen en omkeren, en op de EU-biodiversiteitsstrategie, de natuurbeschermingsrichtlijnen van de EU en de verordening natuurherstel. De informatie zou gebruikers van het duurzaamheidsverslag moeten laten zien waar de onderneming invloed heeft op biodiversiteit en ecosystemen, vooral op locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden en in de waardeketen, en hoe zij deze effecten vermijdt, beperkt, schade herstelt of compenseert.
02
De 5 rapportage-eisen in overzicht
De rapportage-eisen laten zien of de onderneming haar strategie afstemt op de bescherming van biodiversiteit (E4-1), hoe zij het onderwerp stuurt (E4-2 tot E4-4) en waar zij invloed heeft op de natuur (E4-5).
- E4-1 Transitieplan: heeft de onderneming een plan dat bedrijfsmodel en strategie afstemt op het mondiale doel om biodiversiteitsverlies te stoppen en om te keren, en heeft zij de kernpunten ervan gepubliceerd, dan beschrijft zij die. Anders vervalt de informatie. Het plan kan ook deel uitmaken van een breder transitieplan, bijvoorbeeld voor klimaatmitigatie
- E4-2 Beleid: het beleid ten aanzien van biodiversiteit en ecosystemen, vooral over de traceerbaarheid van producten, onderdelen en grondstoffen met materiële effecten in de waardeketen en over eigen locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden. Waar relevant moet de onderneming vermelden of het beleid duurzame land- of landbouwpraktijken, duurzame praktijken voor oceanen en zeeën en ontbossing behandelt
- E4-3 Maatregelen en middelen: welke maatregelen de onderneming uitvoert en plant en welke middelen zij daarvoor inzet. Worden biodiversiteitscompensaties gebruikt, dan moeten doel, financiële effecten, oppervlakte, type, kwaliteitscriteria en toegepaste standaarden worden beschreven
- E4-4 Doelen: welke doelen de onderneming heeft gesteld en, als compensaties daaraan bijdragen, hoe
- E4-5 Maatstaven: op welke eigen locaties materiële effecten, risico’s of kansen betrekking hebben, welke biodiversiteitsgevoelige gebieden daar worden getroffen (naam en type) en welke activiteiten daar materiële negatieve effecten hebben, plus maatstaven over de materiële effecten
03
Overgangsperiode: wat toch moet worden vermeld
E4 is de enige milieustandaard die helemaal mag worden uitgesteld:
- Eerste golf: alleen nog voor boekjaar 2026. Daartoe behoort ook wie voor het eerst over boekjaar 2026 moet rapporteren. Ondernemingen die op de balansdatum ten minste een van de twee drempels niet overschrijden (450 miljoen EUR netto-omzet of gemiddeld 1.000 werknemers), mogen voor dit boekjaar sowieso alle thematische standaarden weglaten als zij de nieuwe set al toepassen
- Andere ondernemingen (pas voor boekjaren vanaf 2027 rapportageplichtig): in de eerste 2 verslagjaren, bij een rapportageplicht vanaf boekjaar 2027 dus voor de boekjaren 2027 en 2028. Bepalend is de wettelijke plicht, niet het tijdstip van de nationale omzetting
Het uitstel is geen volledige vrijstelling. De onderneming moet vermelden of biodiversiteit materieel is. Zo ja, dan moet zij kort beschrijven: het materiële thema of subthema en de samenhang met bedrijfsmodel en strategie, termijngebonden doelen met de voortgang en of de biodiversiteitsdoelen op overtuigend wetenschappelijk bewijs zijn gebaseerd, en beleid en maatregelen met de resultaten. Zij moet de relevante maatstaven rapporteren.
04
Locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden
Biodiversiteitsgevoelige gebieden zijn enerzijds gebieden die met juridische of andere effectieve middelen worden beschermd, waaronder Natura 2000-gebieden, natuurlijke werelderfgoedsites van de Unesco, Ramsar-locaties en andere beschermde gebieden, bijvoorbeeld volgens nationaal recht. Anderzijds horen er wetenschappelijk erkende gebieden bij, ook zonder beschermde status: Key Biodiversity Areas, ecologisch of biologisch belangrijke mariene zones, gebieden op de Rode Lijst van Ecosystemen van de IUCN en habitats van soorten op de Rode Lijst van bedreigde soorten van de IUCN.
- ‘Nabij’ bepalen: of een locatie buiten zo’n gebied ‘nabij’ ligt, moet worden bepaald doordat de onderneming het invloedsgebied van de locatie vaststelt. Daarvoor kunnen bufferafstanden worden gebruikt die bij de activiteit passen, op basis van wettelijke eisen, wetenschappelijke aanbevelingen en sectorpraktijk
- Prioriteiten stellen: de focus ligt op locaties waar de eigen activiteiten materiële negatieve effecten hebben op zo’n gebied
- Groeperen in plaats van opsommen: niet elke locatie hoeft afzonderlijk te worden genoemd. Locaties met vergelijkbare effecten, risico’s of kansen kunnen worden gegroepeerd, bijvoorbeeld per hetzelfde gebied of per meerdere gebieden in een regio die door meerdere locaties worden getroffen. De groepering mag geen materiële informatie verhullen
05
Maatstaven: wat wordt gemeten
E4 legt geen vaste set maatstaven vast. De maatstaven hangen af van de materiële subthema’s:
- Drukfactoren, bijvoorbeeld ruimtebeslag of verandering van landgebruik
- Toestand van soorten, bijvoorbeeld het uitsterfrisico
- Omvang en toestand van ecosystemen, bijvoorbeeld de toestand van een locatie of een landschap
- Ecosysteemdiensten
Daarnaast moet de onderneming aangeven welke materiële effecten landdegradatie, woestijnvorming, bodemafdichting of bedreigde soorten en ecosystemen betreffen. De beste gegevensbasis zijn primaire gegevens over de toestand van de natuur, ter plaatse of via teledetectie verzameld, vooral op locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden; schattingen op basis van drukfactoren of secundaire gegevens zijn toegestaan. Bij de keuze van de maatstaven moet de onderneming rekening houden met de meetfrequentie, de uitgangstoestand of -waarde en het basisjaar, en met de vraag of de maatstaven het verband met de materiële effecten zichtbaar maken.
06
Typische gegevensbronnen in de onderneming
Het startpunt zijn de locaties, niet de maatstaven:
- Locatielijst en vastgoedbeheer leveren coördinaten en oppervlakten, gesplitst naar verharde en onverharde grond
- Vergunningen, milieuvoorschriften en milieueffectrapportages voor locaties, uitbreidingen en grondstofwinning tonen bekende effecten, getroffen soorten en habitats en opgelegde voorschriften
- De inkoop levert herkomst en certificaten van grondstoffen uit land- en bosbouw, zoals hout, papier, palmolie, soja of cacao. Wie grondstoffen die onder de EU-ontbossingsverordening (EUDR) vallen in de EU in de handel brengt of uitvoert, verzamelt voor de zorgvuldigheidsverklaring bovendien de geolocatie van de percelen en het bewijs dat daar geen ontbossing heeft plaatsgevonden
- Tools zoals de Integrated Biodiversity Assessment Tool (IBAT), de WWF Biodiversity Risk Filter of ENCORE laten zien of locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden liggen en van welke ecosysteemdiensten het bedrijf afhangt
07
Samenhang met de VS-standaard
De VS-standaard vraagt in de basismodule alleen om locaties in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden te noemen, met de naam van het gebied. Verdere maatstaven over biodiversiteit bevat hij niet.
08
Typische fouten
Deze punten komen in de praktijk vaak voor:
- De overgangsperiode als pauze zien. Die zou tijd moeten geven voor de voorbereiding, niet aangeven dat het onderwerp pas later relevant wordt. Is biodiversiteit materieel, dan moet de onderneming al tijdens de overgangsperiode doelen, beleid en maatregelen kort beschrijven en de relevante maatstaven vermelden. Wie in die tijd geen gegevens verzamelt, staat na afloop zonder basis
- Afhankelijkheden in de waardeketen onderschatten. Het verlies aan biodiversiteit schrijdt wereldwijd voort op een schaal die grondstoffen, opbrengsten en toeleveringsketens raakt: meer dan de helft van de mondiale economische output is matig of sterk afhankelijk van de natuur en haar diensten (WEF, Nature Risk Rising, 2020). Bij de beoordeling van risico’s en kansen moet met afhankelijkheden rekening worden gehouden. Wie de afhankelijkheid van ecosysteemdiensten zoals bestuiving, waterbeschikbaarheid of bodemvruchtbaarheid niet beoordeelt, kan materiële financiële risico’s over het hoofd zien